Die vraag kent natuurlijk maar één antword: ‘ieder het zijne’. Toch zijn er verontrustende berichten in Spaanse kranten. Zoals het onderstaande – nogal eenzijdige – bericht dat verscheen in de krant “Hoy” in Extremadura.

“De plaag van campers – Dit type toerisme is een van de grootste vijanden van het uitgeholde Spanje

IGNACIO SUÁREZ-ZULOAGA

Zaterdag 4 juli 2020

De media brengen – alsof het uitstekend nieuws is – de ‘boom’ van campers over naar de publieke opinie. Men legt dit fenomeen uitg als een alternatief voor een boeking in een hotel, een landhuis of een camping. Diezelfde media houden ons voortdurend voor hoe belangrijk het is het milieu te beschermen en de ontvolking van het platteland te stoppen. Zij lijken niet te beseffen dat campertoerisme een van de belangrijkste vijanden is van het uitgeholde Spanje: een aanval op het landschap en de plaatsen waar ze kamperen, en een groeiende bedreiging voor het milieu.

Het campertoerisme versnelde in 2019, toen het aantal aanmeldingen met 19,2% toenam. De factoren die deze trend aansturen zijn besparingen en autonomie. Een stacaravan kost voor overnachten, ontbijten, lunchen en dineren tussen de 130 en 200 euro (afhankelijk van het seizoen). En omdat het voor 4 of meer personen is, zijn de totale kosten per reis, persoon en dag absoluut onverslaanbaar. De gewoonte om bij de gebruikelijke hypermarkt in te slaan voor voedsel, dranken en brandsto omdat ze daar veel lagere prijzen hebben dan in de kleine steden van bestemming versterkt dit nog. Zo kan een groep mensen meerdere dagen op een toeristische bestemming doorbrengen zonder daar een euro uit te geveen.

Een andere attractie is de sociale: volledig autonoom zijn en uitgaan in een groep met meer campervrienden. Zo vormen ze overal een kleine zelfvoorzienende gemeenschap – ook op eenzame plekken, zonder openbare diensten – vrijwel zonder contact met de lokale bevolking. Die onafhankelijkheid is groter dan die in een hotel of camping; vergelijkbaar met een groep die een compleet vakantiehuis huurt. In het geval van de camper wordt de aantrekkelijkheid versterkt door de mogelijkheid om de overnachtingsplaats elke dag te veranderen, en zelfs te kunnen overnachten in open velden, eenzame plaatsen waar geen infrastructuur is. Omdat ze water, voedsel en energie in het voertuig vervoeren, kunnen ze behoorlijk wat dagen in volledige isolatie doorbrengen.

Vanuit ecologisch oogpunt verbruiken deze stacaravans ongeveer 15 liter diesel per 100 kilometer. Aangezien maar heel weinig campers bereid zijn om de geur van het afval dat ze veroorzaken gedurende meerdere dagen te verdragen – door de schaarse ruimte van het voertuig in te slaan om het op te bergen – gooien ze het op de afgelegen plekken waar ze overnachten; terwijl degenen die in steden kamperen, de bakken van de parkeerplaatsen meestal tot de rand vullen. En aangezien er in deze kleine steden geen dagelijkse vuilnisophaaldienst is, verslechtert de camperplaats dagenlang de openbare ruimte.

In nogal wat gevallen bespaart de camper op de kosten van het legen van het toilet door zichzelf ontlasten op de openbare weg. Om hun drinkwatertank niet uit te putten, wassen velen zich ook in openbare bronnen en rivieren. De gewoonte om deze volumineuze voertuigen te parkeren op uitkijkpunten en andere plaatsen met een goed uitzicht leidt tot aantasting van de landschapsarchitectuur, waardoor de ze ervaring van andere reizigers schaden.

Het maximale besparings- en zelfvoorzieningsmodel van de camper ondersteunt de lokale bevolking niet; Omdat campers zonder significante betalingen profiteren van de natuurlijke hulpbronnen en infrastructuur die de buren en lokale bedrijven het hele jaar door onderhouden. De economische duurzaamheid van deze plaatsen hangt voornamelijk af van weekends en feestdagen. Gezien zijn grote kwetsbaarheid, veronderstelt elke winstderving een belangrijke schade. In deze kleine plaatsen worden de school en de openbare diensten ondersteund door het onderhoud van de bar en het landhuis; als ze niet verdwijnen. Bovendien, als de weinige infrastructuren (parkeerplaatsen, tafels, afvalbakken, openbaar toilet) een of meer dagen worden opgepot door groepen bezoekers die alles uit de stad halen, moet de gemeenteraad zorg dragen voor het vuil dat ze genereren, met de bijbehorende kosten.

Er is nog geen georganiseerde reactie van de toeristische sector en milieuverenigingen. De rijksoverheid moet een specifieke belasting heffen op voertuigen die zoveel vervuiling veroorzaken; terwijl de provincieraden en autonome gemeenschappen de bewoners van kleine plaatsen en natuurlijke ruimtes moeten beschermen. Hiervoor moeten de geautoriseerde plaatsen voor het parkeren van campers worden gereguleerd (voorkomen dat de uitzichtpunten en centrale delen van pittoreske steden instorten) en moeten er prijzen worden aangerekend voor deze parkeerplaatsen (die de schoonmaakkosten dragen die ze veroorzaken). Het kan niet zo zijn dat het sparen van een paar ongemak voor de rest van de reizigers betekent en een sterke winstderving voor een groep die zo zoveel tegenslag ervaart als de inwoners van het uitgeholde Spanje.”

Hand in eigen boezem, of…?

Er zit natuurlijk een kern van waarheid in dit bericht. We horen hier in Nederland ook verhalen van aso’s die in de bosjes scheiten en WC-papier en tampons achterlaten. Het beeld wordt dan al snel bepaald door de ‘de slechten’, terwijl ‘de goeden’ toch echt in de meerderheid zijn.

Ook hier in Nederland moet er nog al wat ‘stichtingswerk’ plaatsvinden. Het argment dat er liever in de Lidl ingekocht wordt dan in lokale winkel zal best waar zijn. Even met je camper het dorp in is namelijk vaak niet mogelijk of wenselijk. Maar in plaats van erover te klagen zou je als dorpsgemeenschap of kleine winkelier hier ook op in kunnen springen. We kennen allemaal het fenomeen van de bakker die ‘s-ochtends op camperplaatsen langs komt met vers brood. We hebben zelfs al automaten met barbecuevlees gezien op CPs.

Wat kunnen wij bijdragen?

Door het Corona virus krijgen mensen een andere kijk of het leven. Ze gedragen zich nu ook anders. Overal hoor je oproepen om anders in het leven te gaan staan. Andere aspecten van het leven zijn in eens belangrijk geworden. Meer kwaliteit, minder kwantiteit. In de post-corona tijd hebben wij als camper gemeenschap de kans om een nieuwe start te maken in Spanje (nou ja, eigenlijk overal). We kunnen straks -als we uit de isolatie en qarantaine zijn- op een wat grotere afstand van elkaar, in een wat langzamer tempo, met wat meer gevoel voor de omgeving gaan recreeren. Misschien dus eens een dagje langer blijven, iets meer onthaasten en wèl het dorp in of lokaal te gaan shoppen. Inderdaad iets terug te doen voor de lokale gemeenschap.

Mogen wij dan daarvoor terugvragen dat er meer en betere faciliteiten worden geboden? En dan heb ik het met name over het minst campervriendelijke land in Europa: Nederland. Het land zonder openbare toiletten, het land waarin camping-eigenaren het in de gemeenteraden voor het zeggen lijken te hebben. Gemeenten worden gedwongen ‘marktconforme’ prijzen te vragen voor een camperplek of -sterker nog- worden beticht van concurrentievervalsing. Plaats meer sani-zuilen, dan hoeft niemand het meer in de bosjes of in zijn broek te doen.

Laten we in ieder geval altijd elkaar met posiviteit benaderen. Het heeft geen nut hele volksstammen weg te zetten als uitvreters en zelf in de slachtofferrol te kruipen. Spanje uitgehold? Leeggelopen? Vul het dan weer, met veel gezellige campers. Dat geldt wat ons betreft voor héél Europa en daar buiten 🙂 .

Zie het antwoord van JESÚS GALLARDO, President van het Nationale Autonome Camper Platform (PACA) op dit artikel.